Meisje nummer 18

Meisje nummer achttien, Anna Woltz, 2010, Leopold

Het is rond 1900. Hanna woont met haar moeder en zusje Koosje in een klein huis. Haar vader is dood. Er is weinig te eten en haar moeder is ziek. Dan overlijdt ook haar moeder. Hanna wordt naar het weeshuis gebracht, zonder haar zusje. Ze gaat op onderzoek uit, en hoort dat Koosje door een man is meegenomen naar Utrecht. Hanna maakt een plan: ze moet en zal haar zusje vinden. Daarvoor moet ze liegen, stelen en de weg vinden in een vreemde, grote stad.

In dit spannende boek, waarin een goed beeld van het leven rond 1900 wordt gegeven, komen andere rolpatronen voor dan gebruikelijk. Hanna is een heldin; ondanks haar angst gaat ze op dingen af. Ze gaat ’s nachts op onderzoek uit en verzint een plan om Koosje te redden. Koosje is een grappig, vrolijk en doortastend meisje. De kinderen in het weeshuis hebben verschillende karakters: er zijn kinderen die volgzaam, lief, vergevingsgezind, bang en onaardig zijn. Dat geldt voor meisjes en jongens. De weeshuismoeder is streng en autoritair, maar ze lijkt rechtvaardig. De weeshuisvader is minder streng en heeft geen overwicht op de kinderen.

De beschrijvingen van het leven in een weeshuis zijn mooi en beeldend: de grote pannen soep, de kou, de kakstoel naast het bed, de afgeknipte haren, de schurende kleding, de te grote schoenen, de optocht naar school, het harde werken, de deftige heren die de baas zijn.